©

Yuyukan Sportcentrum

José & Frank Philipoom

Kingsford Smithstraat 108, 1945 PW

BEVERWIJK the Netherlands

 

Budoschool voor traditionele Japanse Krijgskunsten

Centrum voor Sportieve Recreatie en Vorming     

 

 

JÛDÔ

Een stukje geschiedenis

 

Jûdô is een krijgskunst voor iedereen. Voor jong en oud en voor zowel meisjes als jongens. Duizenden jûdôka's beoefenen in de recreatieve sfeer met veel enthousiasme het jûdô. Daarnaast is jûdô ook een Olympische wedstrijdsport. Wie kent onze Olympische medaillewinnaars Anton Geesink, Wim Ruska, Henk Numan, Ben Spijkers, lrene de Kok, Theo Meijer, Mark Huizinga, Claudia Zwiers en Jenny Gal niet. Veel jûdôka's zijn actief in de wedstrijdsport. Zij trachten elkaar met een judoworp op de mat te werpen of hun tegenstander met behulp van een grondtechniek onder controle te krijgen. Een jûdôka gebruikt de kracht van zijn tegenstander om deze te overmeesteren. Jûdô werd door Jigoro Kanô (28-10-1860/4-5-1938) ontwikkeld vanuit de traditionele Japanse vechtkunst Jiûjitsu (Jûjutsu). Voor de pedagoog Kanô was jûdô niet zomaar een krijgskunst. Hij beschouwde het vooral als een opvoedkundige methode. Door jûdô leer je positief omgaan met agressie. Jûdô is bovendien beschaafd. Zonder je tegenstander te blesseren, leer je hem of haar te overmeesteren. Een van de belangrijkste uitspraken van Jigoro Kanô luidt: 'Jûdô kun je alleen maar leren door het te doen!'

 

 

Hoewel jûdô een typische Zenkunst is en tegelijkertijd een filosofie, een esthetiek, een theorie en een praktijk, gebaseerd op het menselijk instinct, wordt het door het merendeel der beoefenaren niet zo gezien. In de Kodokan (= het huis waar men de ‘Do’, de filosofie van het unieke principe, leert) spreekt men er niet veel over; jûdô is voor velen alleen ‘sport’ geworden. Het filosofische beginsel leeft echter nog sterk in Japan en o.a. in onze ‘dôjô’. Men zou jûdô kunnen definiëren als een eclectisch stelsel van gevechtstechnieken, die door Jigoro Kanô met een opvoedkundig doel zijn samengevoegd. Gunji Koizumi (9-7-1885/ 14-41965) beschreef jûdô als een wetenschap van studie van de potentiële krachten van lichaam en geest en van de manier om ze in gevechtstechnieken zo doelmatig mogelijk toe te passen. Daarom heeft het jûdô te maken met het bestuderen van de wetten der zwaartekracht, dynamica en mechanica, voor zover betrekking hebbend op de functie van het menselijk lichaam en de interrelatie van fysieke, mentale, emotionele en gevoelsmatige acties en reacties en is gebaseerd op een voortdurende en vlijtige training. De gevolgen, die de jûdôtraining heeft op de staat van lichaam en geest, vormen de werkelijke waarde ervan voor ons leven; aldus Koizumi. Doelmatigheid in jûdô is dus wel een essentieel aspect, maar is slechts middel en niet doel.

Oorsprong en geschiedenis van jiujitsu en judo

Sinds zijn ontstaan heeft de mens, met instinct voor zelfbehoud, gevochten en werd daardoor geïnspireerd zijn lichamelijke vaardigheid te ontwikkelen en te verbeteren en zijn lichaamskracht zo doelmatig mogelijk te gebruiken. Bij de pogingen daartoe waren milieu en levensomstandigheden van invloed op de variaties in de ontwikkeling. Daar het doel en de lichaamsmechanica gemeenschappelijk waren, konden de resultaten niet zo geheel verschillend zijn. Zonder twijfel is dat de reden van het over de wereld verspreid aantreffen van gegevens over gevechtstechnieken, die met jiujitsu overeenkomen en anderzijds over het gebrek aan gegevens betreffende het ontstaan van jiujitsu. De verscheidene opvattingen over oorsprong en ontstaan van jiujitsu zijn vaak gebaseerd op verhalen over bepaalde scholen of op zeldzame en vaak niet betrouwbare manuscripten, niet alleen uit Japan, maar ook uit China, Perzië, Egypte en Duitsland.

Voorgeschiedenis

Volgens T. Shidachi (een leerling van Jigoro Kanô) is de oorsprong van jiûjitsu niet duidelijk en is de tijd van eerste uitvoering niet bekend. Het is naar zijn mening zonder twijfel een zuiver Japanse kunst en niet afkomstig uit China, zoals ook wordt beweerd, hoewel invloed van Kenpô, meegebracht door o.a. de Chinees Chen Yuan Bin (ca. 1659) buiten twijfel is. Het jiûjitsu (ook wel bekend onder de namen Yawara, Tai-jutsu, Wa-jutsu, Kumiuchi e.a.) bestond buiten het vechten met een Wakizashi (een zeer kort zwaard) onder meer uit werpen, slaan, stoten (met vuist) en steken (met vingers), trappen, verwurgen, aanvallen op gewrichten (buigen en verdraaien) en het er onder houden van de tegenstander.

Er zijn voldoende gegevens, die aantonen dat jiûjitsu in Japan door de Samurai werd ontwikkeld gedurende de feodale tijd (12e-19e eeuw). Ingevolge hun positie (krijgsverrichtingen en handhaving van wet en orde) was jiûjitsu voor hen een gemonopoliseerde training; nieuwe technieken werden zorgvuldig door hen als een familie- of schoolgeheim bewaard. Aanvankelijk moeten de technieken tamelijk primitief zijn geweest, maar in de periode van de 16e tot de 19e eeuw waren er bekwame meesters, die scholen (ryû) oprichtten, ieder naar zijn eigen opvatting met hun speciale technieken, die werden opgetekend in geheime geschriften (Denshô). De oudste school is de Takenouchi-ryû (ca. 1532), waar ook het Kogusoku jutsu (ongewapende gevecht) werd beoefend.

De Kitô-ryû is opgericht in het midden van de 17e eeuw door een Samurai van lage rang Sensai Ibarai. Hoofdzakelijk bestond het Kitô-Ryû toen uit vijf Kata’s waaronder het Koshiki no Kata die later terug komt bij de Kôdôkan van Jigoro Kanô.  Oorspronkelijk richtte het systeem zich op > Kenjutsu (zwaardvechten), > Iaijutsu (zwaard), > Bôjutsu (stok), > Yoroi Kumi uchi (ongewapende gevecht) en > Kusarigamajutsu (sikkel en ketting). Masakatsu Shichiroemon Fukuno was de tweede grootmeester; hij leerde vermoedelijk vooral het ongewapende gevecht van de Chinees Chen Yuan Bin. Op deze school werd veel aandacht besteed aan ongewapende gevecht van het Kenpô. Kanemon Terade als vijfde grootmeester van het Kitô-ryû, een klein zoon van van Heizaemon Terada (de derde grootmeester) maakte het Kumi uchi (het ongewapende gevecht) de basis van het Kitô-ryû en voerde het principe Ran (vrijheid) of Ran o tori (vrijheid nemen). Nu heet het principe Randori.  Toen Kanemon Terade zich terug trok als grootmeester vormde hij het Jikishin-ryû. Deze had de naam jûdô reeds gebruikt, zoals sommige historische werken vermelden.

Andere bekende scholen waren Kushin-ryû (onder leiding van: Nagayasu Inagumi), Sekiguchi-ryû (onder leiding van: Jushin Segiguchi), Shibukawa-ryû (onder leiding van: Hachirozaemon Sekguchi) en de Yoshin-ryû (onder leiding van: Shirobei Akiyama). Het is opvallend, dat bijna al deze scholen zijn ontstaan in het hart van Japan. In de laatste helft van de 18e eeuw kreeg het jiujitsu eveneens vaste voet in diverse provincies, totdat het begon terug te lopen met de dreigende val van het feodalisme.

Japans isolement

Het eerste contact van het Westen met Japan was in 1552, toen een groep Portugezen landde op het eiland Tanegashima en vuurwapens invoerde. Tussen 1609 en 1613 werden de eerste handelsakkoorden gesloten tussen Japan, Holland, China en Engeland. Wetten van Shôgun Iemitsu in 1633 verboden de Japanners zich buiten de grenzen te begeven. In 1639 werden de Portugezen verbannen en - behalve enkele Hollandse kooplieden - spoedig ook alle andere Europeanen. In 1853 ging Commodore Matthew Perry naar Japan en eerst het jaar daarop, dus in 1854, stelde Japan onder druk van Amerika de havens open voor Amerikaanse schepen, waarmede de Westerse invloed in Japan definitief zijn intrede deed. In 1867 kwam er een einde aan het feodalisme en de Shôgun regering van Tokugawa familie (1603-1868) door het herstel van de keizerlijke autoriteit met de troonsbestijging door keizer (Tennô) Meiji (1868-1912) In de daarop volgende Meiji-periode met moderne opvattingen werd de Samurai een verboden groep (1871). Vele Ryû werden gesloten, sommige meesters pleegden zelfmoord, vele jongeren zochten een nieuw beroep, anderen verzamelden zich in benden en oefenden terreur uit. Golven van reacties tegen radicale vernieuwingen brachten echter jiujitsu weer aan de oppervlakte, nadat het gedurende een tiental jaren vervallen was tot een relikwie van het verleden. De verdiensten werden opnieuw bezien; politie, leger en marineautoriteiten toonden veel belangstelling en op dat ogenblik deed jûdô zijn intrede.

Voorbereidende studie (1876 - 1881)

Jigorô Kanô, geboren als derde van vijf kinderen op 28 oktober 1860 te Kikage, begon als 16-jarige te studeren aan de Keizerlijke Universiteit te Tokio en behaalde op 21-jarige leeftijd zijn graad. Hij deed aan vele sporten, waaronder baseball en gymnastiek, doch zijn lichaamsbouw en geringe fysieke mogelijkheden stonden grote prestaties in de weg. Hij had gehoord van jiujitsu, een kunst waarmede de fysiek zwakkere een tegenstander met herculische krachten zelfs zou kunnen verslaan, hetgeen hem zo aantrok, dat hij in 1876 besloot jiujitsu te gaan beoefenen. Als gevolg van de gewijzigde sociale omstandigheden in de Meiji-periode kostte het Jigorô Kanô veel moeite goede leermeesters te vinden. Hij studeerde Jûjutsu bij Hachinosuke Fukuda (1829-1880) van de Tenshin Shinyô ryu (Een ryû/school bekend voor zijn Atemi waza, Shime waza en Kansetsu waza). In 1880 kwam Fukuda te overlijden en ging Jigorô Kanô na zijn dood trainen bij Masatamo Iso (1818-1881), de zoon van Mataemon Iso de grondlegger van het Tenshin Shinyô Ryû. Toen Masatamo Iso stierf in 1881, stapte hij over naar de Kitô-Ryû onder leiding van Tsuetoshi Iikubo (1835-1889). Hier perfectioneerde hij zijn worptechnieken, Nage waza die later de basis zou worden van het Jûdô. Later leerde hij het Yoroi kumi uchi waarvan hij het Koshiki no Kata kon afleiden. Van zijn leraar Iikubo leerde hij Seiryoku zenyô, het rationeel gebruik maken van energie. Later schreef Kanô in zijn memoires dat hij van meester Fukuda leerde wat later zijn levenstaak zou worden.  Van meester Masamoto leerde hij de achtergronden, het verhaal van het Kata. Van meester Iikubo leerde hij verschillende technieken en de betekenis van timing. In 1881 ging hij officieel van de universiteit af, maar koppelde er nog een jaar aanvast voor verdere studie. In februari 1882 trok hij naar Eishoji in het stadsdeel Shitaya van Tokio en vestigde zich daar in een hal van een tempel de ‘Kodôkan’. Onder deze naam bracht Kanô een samenvoeging van het Tenshin Shinyô Ryû en het Kitô ryû. Dankzij zijn vader had hij ook toegang tot verscheidene  oude documenten van de Seigo en Sekuchi scholen. Omdat hij geen Menkyo kaiden bezat en niet in een klassieke stijl mocht lesgeven gebruikte hij de naam Jûdô. Met steun van zijn meester Tsuetoshi Iikubo runde Kanô zijn Dôjô. Hij gebruikte zijn eigen kamer van 12 tatamis (5,49 x 3,66 meter).

Oprichting Kodôkan (1882)

Toen Jigorô Kanô besloot zijn concept in de praktijk te brengen. Zijn concept onderscheidde zich van de overige jiujitsu ryû. Hij concentreerde zich niet alleen op Waza (techniek), maar hield zich aan drie principes die hij als rode draad in zijn dôjô liet terug komen: > Renatai-ho - lichamelijke fitheid, > Shobu-ho – de vaardigheid om technieken te gebruiken > Shushin-ho – de meesterschap om te werken aan karakters. Zijn concept baarde nogal wat opzien. Al in augustus 1882 mocht hij een fulltime leraarschap aanvaarden bij een elitaire school het Gakushuin College. Daarmee startte hij zijn loopbaan als professioneel leraar.

In 1883 veranderde hij tweemaal van locatie. De eerste keer ging hij naar Minami Jimbo cho, waar een Engelse academie werd geopend. Enkele maanden later trok hij naar Kami Niban cho in Kojimachi en bouwde daar een eigen dôjô op een gehuurd terrein. Er waren 8 leerlingen en het jaar daarop waren 10 leerlingen ingeschreven. Er was dagelijks onderricht van 14.00 tot 24.00 uur. Pas in 1884 kon hij een grotere dôjô (20 matten) bouwen. In deze tijd ontstond ook het rangsysteem (kyû > dan graden). Tsunejiro Tomita (1865-1937) en Shiro Saigo (1866-1922) waren de eerste Shodan (1ste Dan) van het Jûdô. In deze tijd voerde Kanô ook het Kan geiko (wintertraining) in. In 1885 was het aantal leerlingen gestegen tot 54. Er kwamen zelfs leerlingen uit het buitenland om onderricht te krijgen. In 1886 vertrok hij naar Fujimi cho alwaar hij een grote dôjô bouwde met 40 matten. Onder zijn 99 ingeschreven leerlingen begonnen de dan graadhouders voor de eerste keer de zwarte band te dragen om zich van de kyû graden  te onderscheiden.   

Erkenning Kodôkan (1886)

Door de naamsbekendheid van de Kodôkan verzekerde Kanô zich van respect, mede omdat de naam identiek was aan die van de beroemde academie in Mitô, die het centrum was van de Meji ideologie. In de krijgskunst zelf legt hij grote waarde op geestelijke zelfdiscipline en noemde zijn systeem jûdô om zich toen te onderscheiden van het toenmalige losgeslagen Jûjutsu. In 1889 trok met ongeveer 1500 leerlingen naar de Kami Nibancho regio. In augustus 1891 legde hij zijn werk aan de Gakushin neer en bereidde zich voor om in te gaan op het verzoek van de ‘Imperial Household Agency’ om Europa te bezoeken. Zijn naam was in Japan al legendarisch geworden, gesterkt door de vele verhalen. Een van de verhalen speelde zich o.a. af in mei 1885. De eerste uitdaging van de Kodôkan op de politieschool van Tôkyô. De Kodôkan werd vertegenwoordigd door Shiro Saigô en de politie door Terushima. Saigô won met een worp die later onder de naam Yama arashi bekend werd. In 1986 was er een nieuwe uitdaging tussen de scholen. De politie liet zich vertegenwoordigen door meester Hikosuke Totsuka van uit het Yôshin ryû vertegenwoordigen met vijf vechters die tegen de Kodôkan uitkwam. De ontmoeting vond plaats in de politie dôjô van Fujimi chô in Tôkyô en eindigde met 2 overwinningen, 2 verloren en een onbeslist. Die geen die niet verslagen werden door de Kodôkan waren Morikichi Omori (1853-1930), een gerenommeerde beoefenaar van het Yôshin Totsuka ryû en Mataemon Tanabe (1851-1928) een vechter met een geweldige reputatie die omschreven wordt als een machtig en waardevolle man. Kort daarop Jûdô op verzocht Hikosuke Totsuka de Kodôkan om twee leraren af te staan om bij de politie les te komen geven. Deze leraren waren Suyama en Yoshiaki Yamashita. De sterkste vechters uit die tijd waren Sakujiro Yokohama en Shiro Saigo. Dat eclatante succes en andere opmerkelijke resultaten veranderden de publieke opinie tenslotte ten gunste van het jûdô en gaf daaraan een hechte basis. Jiujitsuscholen bestonden nog steeds in Japan, maar hun conservatisme en dogmatisch individualisme hielden hen in een statische positie, overschaduwd door het steeds progressieve jûdô. In augustus 1888 verklaarde Jigorô Kanô: "In onze Kodôkan hebben wij een geheel nieuwe kunst ontwikkeld, onafhankelijk van al de oude Ryû; wij hebben slechts basiselementen van die scholen gebruikt. Daarom noemen wij onze kunst eenvoudig Kodôkan-jûdô en niet school "zo" of "zo". Iedere school heeft zijn geschiedenis en ontwikkeling. Kodôkan-jûdô heeft geen oorsprong; het is uniek in de wereld". De volgende legenden van de Kodôkan waren Sanbo Toku en Kyûzô Mifune. Deze laatste was één van de weinige dragers van de 10de Dan in de geschiedenis van het Jûdô. Kyûzô Mifune wordt gezien als één van de leraren van Anton Geesink, die als eerste niet Japanner de wereldkampioenschappen zijn naam schreef.

Verspreiding van het judo

In 1889 ging Jigorô Kanô naar Europa om daar de methoden van onderwijs te bestuderen. Naast enige professoraten bekleedde hij diverse functies in de sector van het onderwijs. Op 26 februari 1899 arriveerde Yukio Tani (1881-1950) in Londen, gevolgd door S.K. Uyenishi in 1900, Taro Mikaye enige jaren later en Aiktaro Ohno in 1905. In mei 1906 arriveerde de later zo bekend geworden Gunji Koizumi, die in 1918 met Yukio Tani  de ‘Budôkwai’ oprichtte. Met uitzondering van de twee laatstgenoemden waren in 1911 allen weer uit Engeland verdwenen. In 1903 ging Yoshiaki Yamashita naar de Verenigde Staten en gaf onder meer onderricht aan president Theodore Roosevelt. Enkele Engelsen en Fransen trainden in de Kodôkan en brachten de kennis mee naar hun land. In Japan werd rond 1900 het jûdô op de middelbare scholen en de universiteiten ingevoerd als onderdeel van de lichamelijke opvoeding.

Reorganisatie Kodôkan (1909)

Het onderricht in die tijd werd als een soort ‘zending’ beschouwd; leerlingen werden toegelaten voor de nominale kosten of gratis en in sommige gevallen kregen zij zelfs kost en inwoning. De Kodôkan maakte geen kosten en de kleding werd gratis geleverd. Toen professor Jigorô Kanô nog vrijgezel was waren zijn persoonlijke uitgaven gering, maar de onderhoudskosten van de Kodôkan en de Budôkan, alsmede de voeding van diverse van zijn leerlingen, werden niet gedekt door zijn inkomen. Daarom moest hij vaak vertaalwerk (uit het Engels) aannemen om de tekorten te kunnen opvangen.

Toen dat niet langer ging besloot Jigorô Kanô tot reorganisatie en in mei 1909 werd bij de Kodôkan voor het eerst inschrijfgeld en contributie geheven. De leiding werd verzorgd door een uitgebreide staf. In 1911 werd een afdeling ‘opleiding judoleraren’ opgericht, die nu niet meer als zodanig bestaat.

Begin huidige ontwikkeling (1922)

In 1922 voltooide Jigorô Kano zijn systeem met onder meer katame-waza. De "Kodôkan Raad van Yudansha" werd ingesteld en de "Kodôkan Culturele Gemeenschap" werd gevestigd met de leuzen: SEIRYOKU-ZENYO = maximale doelmatigheid en JITA-KYOEI = gemeenschappelijk welzijn. In 1909 werd professor Jigorô Kano lid van het ‘Internationaal Olympisch Comité’ en bezocht, beginnend met de 5de Olympische Spelen in Stockholm (1912) alle volgende Olympische Spelen, waaronder de 9de in Amsterdam in 1928. Toen hij daarvan terugkwam had hij voor het eerst hoop, dat jûdô eens op de Olympische Spelen zou komen. Op de I.O.C.-vergadering in 1938 te Caïro slaagde de Shihan erin Tôkyô aangewezen te krijgen voor het houden van de 12de Olympische Spelen. Dat was het laatste wat deze opmerkelijke man, klein van stuk, maar van uitzonderlijk formaat op velerlei gebied, voor de internationale sport kon doen. Deze ‘vader’ van de lichamelijke opvoeding en de sport in Japan en grondlegger van het jûdô overleed aan longontsteking op de terugreis van Caïro naar Japan aan boord van het Stoom Schip ‘Hikawa Maru’ op 4 mei 1938.

De onbeschreven periode (1938 - 1945)

Na het plotseling overlijden van professor Jigorô Kano werd N. Jiro de tweede president van de Kodôkan (1938 - 1946). Door de omstandigheden van de Tweede wereldoorlog kreeg het jûdô een ernstige terugslag, niet alleen in Japan, maar ook elders in de wereld.

Herleving van het judo

Na de oorlog steeg het enthousiasme voor jûdô hoog door geheel Japan. De eerste jûdô kampioenschappen werden gehouden in 1948. De ‘All Japan Judo Association’ werd opgericht in 1949. In Europa werd de ‘Europese Judo Unie’ (E.J.U.) (weer) opgericht in 1948 en de ‘Internationale Judo Federatie’ (I.J.F.) kwam tot stand-in 1953. Als gevolg daarvan werden in Tôkyô de eerste Wereldkampioenschappen jûdô gehouden in 1956 en de tweede in 1958. Bij de derde Wereldkampioenschappen in 1961 werd de Japanse wedstrijdhegemonie in Parijs doorbroken door Anton Geesink, die aldaar wereldkampioen jûdô werd, in 1964 Olympisch goud (alle categorieën) verwierf in Tôkyô en zijn tweede wereldtitel (zwaargewicht) behaalde in 1965 in Rio de Janeiro. Willem Ruska prolongeerde die Nederlandse successen door zijn wereldkampioenschap zwaargewicht in 1967 in Salt Lake City en in 1971 in Ludwigshafen (zwaargewicht) en dan nog eens tweemaal goud (zwaargewicht en alle categorieën) bij de Olympische Spelen in 1972 in München.

Jiujitsu en Judo in Nederland

Na de komst van Yukio Tani (1899) in Londen, bereikten jûdô en jiujitsu het Europese continent. Omstreeks 1910 gaf de dansleraar  P.M.C. Toepoel als eerste in 's-Gravenhage les in jiujitsu, De oefenstof haalde hij uit een boekje (‘verdediging tegen fietsendieven en honden’) gevolgd Wladimir Kasulakoff, Maurice van Nieuwenhuizen en A.W. Tops. In Amsterdam was het de Japanner Yo die een school opende. Zijn belangrijkste leerling was L. Boretius. In Den Haag was de gentleman Maurice van Nieuwenhuizen de grote man. Deze timmerde veel aan de weg en wist in Nederland de publieke opinie voor zich te winnen. Hij was het die als voorbeeld werd gebruikt voor de ‘veel besproken’ en gelezen Dick Bos boekjes van Alfred Mazure. In 1938 opende Johan van de Bruggen in Rotterdam zijn jiujitsu en jûdôschool. Toen echter zijn school in de oorlog werd platgebombardeerd trad hij bij Maurice van Nieuwenhuizen in dienst als leraar.

Voor de Tweede Wereldoorlog was het jiujitsu in West Europa een soort "esoterische mengeling van geheime kunst en gymnastiek" en beperkte zich in Nederland tot privé-clubjes en kleine sportscholen. Men sprak hier over ‘super’ jiujitsu, ‘diepte’ jiujitsu en ‘hogeschool’ jiujitsu en betwijfelde (vaak terecht) de kwaliteiten van elkaar methoden, zonder echter tot een testontmoeting op de mat te komen.

Op 29 januari 1939 was op initiatief van Maurice van Nieuwenhuizen de ‘Nederlandsche Jiu-Jitsu Bond’ (N.J.J.B.) opgericht, waarin zich reeds kort na de bevrijding de eerste organisatorische moeilijkheden voordeden ten gevolge van persoonlijke sympathieën en antipathieën. Opvallend was toen al de grote strijd tussen de twee stromingen met Boretius enerzijds en van Nieuwenhuizen anderzijds. In de oorlog zocht de Amsterdammer Koning, als belangrijkste leerling van Boretius kontact met de N.J.J.B. Direct na de oorlog ontwikkelden Jaap Nauwelaerts de Age, Koning en Bob van Nieuwenhuizen het NaKoNi-systeem, één van de jiujitsu methodes die in Nederland nog steeds gebruikt wordt. Na de tweede wereldoorlog gingen Jaap Nauwelaerts de Age (uit Haarlem), Koning (uit Amsterdam) en Jan Snijders (uit Utrecht), de boer op om het Jûdô te leren. Jaap Nauwelaerts de Age ging daarvoor veel naar Engeland (o.l.v. Gunji Koizumi), Jan Snijders (zijn dôjô: ‘Eerste Utrechtse Judo en Jiu-Jitsu School’) naar Frankrijk (o.l.v. vooral van Jean De Herdt en Haku Michigami), terwijl Koning naar beide landen ging. Naast de ‘N.J.J.B.’ werd op 3 oktober 1946 opgericht ‘Judokwai Nederland’ (J.K.N.) door de stuwende kracht van J.D. (Dick) Schilder. In 1947 kwam voor het eerst het ‘echte’ jûdô opgang in ons land.

De ‘zachte weg der waarheid’ werd ons gewezen door Gunji Koizumi (8-7-1885/15-4-1965), T.P. Leggeth, Ted Mosson en George Chew uit Engeland, Dr. Garaix en Dr. Jean Beaujean uit Frankrijk en F. Minführ en P. Buchele uit Oostenrijk. Ruim één jaar later, op 30 oktober 1948, telde Nederland zes judoka met de 1ste Dan en vier met de 1ste Kyû.

Op initiatief van Gunji Koizumi kwamen in oktober 1948 enige groeperingen bijeen, te weten ‘Nederlandsche Jiu-Jitsu Bond’ N.J.J.B. (1939), ‘Judokwai Nederland’ J.K.N. (1946) en de ‘Nakada’- clubs en werd als overkoepelende organisatie de ‘Nederlandse Judo Associatie’ (N.J.A.) opgericht, die dezelfde maand de eerste landelijke sportdag organiseerde met enkele prominente Franse yudansha als gasten. Sindsdien ging het jûdô in Nederland met sprongen vooruit wat de belangstelling betrof; het technisch peil steeg door vele bezoeken van Japanse en Koreaanse jûdô meesters snel, doch uiteraard geleidelijker. Op organisatorisch gebied onderscheidde vooral Jaap Nauwelaerts de Age zich. Samen met de Italiaan Torti en de Engelsman John Barnes richtte hij in 1949 de Europese Judo Unie (E.J.U.) op. De volgende stap kon niet uitblijven. De Europese Judo Unie, onder aanvoering van opnieuw Jaap Nauwelaerts de Age, werd in 1951 de Internationale Judo Federatie (I.J.F.) opgericht met als president Reiso Kanô.

De ‘N.J.A.’ werd echter na ruim een jaar al weer opgeheven, toen de meeste beoefenaren van jûdô en jiujitsu in de ‘N.J.J.B.’ waren verenigd. Vele organisatorische moeilijkheden, die hun oorsprong hadden in de controverse tussen amateurs en professionele leerkrachten, leidden tot de oprichting van de ‘Nederlandse Amateur Judo Associatie’ (N.A.J.A.) in 1950. Naast N.J.J.B., N.A.J.A. en J.K.N. ontstonden later ook nog kleine groeperingen, zoals N.J.J.A. (1956),  V.N.J.B. en de N.J.F (1961).

Dat in die jaren van verdeeldheid vreemde dingen zijn gebeurd op bijna elk terrein, bijvoorbeeld ten aanzien van techniek, gradueringen, instructie en organisatie is niet te verwonderen. Als commentaar op bepaalde situaties waren de ‘grapjes’ niet van de lucht: ‘Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, hoeveel streepjes mag ik op mijn band?’. Gelukkig waren er jûdôka's, die begrepen dat het judo in Nederland alleen maar gebaat kon zijn bij samenwerking in een zo groot mogelijke eenheid. Oriënterende besprekingen in 1955 en voorzichtige onderhandelingspogingen daarop volgend leidden (na diverse onderbrekingen) op 21 oktober 1963 (“het akkoord van Utrecht” volgens Jacques J. Brakel) o.l.v. Dr. W. van Zijll van de ‘Nederlandse Sport Federatie’ tot de ‘Federatie van Nederlandse Judo en Jiu-Jitsu Bonden’ (F.N.J.J.B.), bestaande uit N.J.J.B., N.A.J.A., J.K.N. en N.K.J.B.

Langzamerhand kreeg men meer begrip voor de wederzijdse kwaliteiten, zowel op technisch als op organisatorisch terrein. Diverse leraren hebben getraind onder leiding van Jean De Herdt, Ichore Abe en Haku Michigami. Anton Geesink kwam als een komeet omhoog aan het kampioensfirmament.

Foto: Anton Geesink

Het N.A.J.A. kader kreeg incidentele instructie van Tsunetane Oda, Gunji Koizumi, Dr. Hanho Rhi ( 18-9-1960) en dankzij de regelmatige instructies van Tokio Hirano en Choi In Do steeg ook daar het technisch peil met als resultaat Dr. G.F.M. Schutte, die - trots alle organisatorische verwikkelingen - Europese vermaardheid heeft verworven met zijn ne-waza instructie.

Na de overeengekomen twee jaren werd in oktober 1965 het bestaan van de ‘F.N.J.J.B.’ met een jaar verlengd, daar de noodzakelijke fusievoorbereidingen nog niet geheel gereed waren; helaas vond de J.K.N. het toen wenselijk om de federatie te verlaten. De federatieve samenwerking was zeer nuttig, daar men met behoud van eigen autonomie de gelegenheid had om naar elkaar toe te groeien. Tenslotte werd op 7 oktober 1966 de fusie in de Nederlandse jûdôwereld een feit: N.J.J.B. en N.A.J.A., alsmede de N.K.J.B. verenigden zich in een ‘nieuwe’ N.J.J.B. onder nieuwe statuten.

Stap voor stap werd de (re-)organisatie ter hand genomen; vernieuwingen in het bestuur en commissies, herzieningen van reglementen, opleidingen en graduaties; de J.K.N. is in 1969 tenslotte opgegaan in de N.J.J.B. en nog steeds is alles in beweging.

Spanningen zijn in een dergelijke organisatie onvermijdelijk, hetgeen (te) vaak in de pers is gebleken. Op een bijzondere ledenvergadering van de N.J.J.B. op 21 november 1970 werd besloten de naam te wijzigen in "Budo Bond Nederland", B.B.N., met een dusdanige structuur, dat iedere beoefenaar van één of meer budosporten bondslid kan worden.

Op 20 april 1974 werd door de bondsvergadering een ‘Reorganisatiecommissie’ benoemd met als taak bestudering van de problematiek met betrekking tot de organisatie van het bondsapparaat. De bijzondere bondsvergadering van 23 november 1974 gaf het fiat om uitvoering te geven aan de voorgestelde herstructurering van de bond conform het reorganisatierapport van 1 november 1974.

Per 15 september 1979 werd in de bijzondere bondsvergadering een naamswijziging doorgevoerd van ‘Budo Bond Nederland’ B.B.N. naar ‘Judo Bond Nederland’, J.B.N. Op 1 mei 1982 is de, vooral in het zuiden van het land opererende, Nederlandse Judo en Jiujitsu Associatie met al haar leden en leerkrachten tot de Judo Bond Nederland toegetreden